Darts trainen met een plan

Zo ziet darts trainen er bij veel mensen uit: je pakt je pijlen op en gaat alleen maar mikken op de triple 20. Af en toe een potje 501 en een rondje dubbels. Hoe meer pijlen je gooit, hoe beter je wordt, toch? Tot je vastloopt en geen progressie meer maakt, terwijl iedereen om je heen steeds beter wordt.

Wat doen zij anders? We vroegen het aan onze coaches Joppe Bakens, Rik Gruijthuijsen en Sander van Ockenburg-Zwaan. Hun antwoord: de basis voor beter worden in darts is trainen met een proces.

Je pijlen oppakken, gewoon lekker beginnen en een potje 501 gooien: dat is op zich wel darten, maar niet echt trainen.

Dit zijn hun 8 tips.

1. Maak een trainingsplan voor 4 weken

Processtraining betekent: je maakt een plan voor de komende 4 weken en je houdt je aan dat plan. Zo’n trainingsplan voor darts hoeft niet ingewikkeld te zijn.

Daar komt het ingooien nog bij, en dan heb je een fantastisch uur besteed.

Waarom 4 weken achter elkaar? Net als bij marathonlopen, net als bij fietsen: het is de regelmaat die ervoor zorgt dat je veel sneller beter wordt.

2. Bepaal vooraf wat je gaat doen

Ook voor één uur darts trainen kun je een plan maken. Vraag jezelf van tevoren af:

  • Wat ga ik in dit uur precies doen?
  • Wat wil ik bereiken

    Een simpel voorbeeld: je gooit 20 keer de 20, dan 20 keer de 19 en 20 keer de 18, en je stopt niet voordat je dat gedaan hebt. Dan merk je dat je met een andere intensiteit naar het bord gooit. Je hersenen zijn beter aan het werk. Je bent veel gefocuster. En dat focussen, dat heb je nodig. Ook dat moet je leren.

    Nog een tip: stop nooit met een training na een slechte worp. Laat de pijlen van je laatste goede worp in het bord zitten.

    3. Begin elke dartstraining met een vaste routine

    Begin elke training met dezelfde ingooiroutine, bijvoorbeeld 20 minuten een beetje losgooien. Daarna pak je de getallen op die je geconcentreerd wilt oefenen.

    Het doel van die routine: dat je worp altijd precies hetzelfde is en steeds verfijnder wordt.

    • Beginnende darters hebben nog heel veel vragen: hoe moet ik staan, hoe houd ik mijn elleboog, heb ik de pijl goed vast?
    • Ervaren darters hoeven daar niet meer over na te denken. Er is een automatisme.
    • Met dat automatisme maakt het niet uit tegen wie je speelt, of dat nou Jan de Boer is of de buurman op de hoek. Je doet altijd hetzelfde.

    4. Gebruik vakjes als vakjes

    Kies een paar vaste vakken, bijvoorbeeld de triple 20, dubbel 16, dubbel 8 en dubbel 4. En gebruik ze echt als vakjes:

    • De scores zijn niet belangrijk. Die pijlen moeten bij elkaar zitten in de 20.
    • Voor de dubbel 16 en dubbel 8: train niet dat je 32 uitgooit, maar dat je op het vakje van de dubbel 16 gooit.
    • Verwacht geen snel resultaat. Dat ga je niet op één dag leren. Sterker nog, ook niet in één week. Ook niet in één maand.

    Een speler die 4 keer per week zo trainde, appte na een maand of 6: hé, ik gooi ineens 88 gemiddeld. Maar dat is niet ineens. Dat is omdat hij al heel lang bezig was met dat proces. Alleen zag hij nu ineens het resultaat.

    5. Saai is goed

    Op een dubbel 4 mikken is minder spannend dan op de triple 20. Maar saai is ook goed. Saai is gedegen, saai is wat nodig is.

    Elke avond je tanden poetsen is saai, maar het is wel goed. Je weet waarom.

    Wil je het toch wat opleuken? Dit zijn darts oefeningen die onze coaches zelf doen:

    • Rondje dubbels met gevaar: mis je een dubbel met 3 pijlen, dan moet je terug naar de vorige
    • Rondje singles: 1 tot en met 20 op volgorde en eindigen met een bull. Missen is opnieuw beginnen. In het begin lukt dat misschien niet, maar op een gegeven moment wordt het een automatisme.
    • Pijl inleveren: gooi je een beurt geen bull, dan leg je een pijl aan de kant. Je krijgt hem pas terug als je een dubbele bull gooit.

    Wel opletten: op het moment dat je merkt dat het frustratieniveau toeneemt, is het beter om even te stoppen. Het moet wel leuk blijven. En je hoeft geen uren achter elkaar te gooien. Een wedstrijd speel je ook maximaal een kwartiertje en dan is het voorbij.

    6. Stel doelen die je kunt meten

    Veel darters willen alleen maar 180 gooien en een hoger gemiddelde. Maar 180 is een resultaat van een goed uitgevoerde worp. Je moet eerst die worp goed uitvoeren, en dan komt de rest pas.

    Staar je ook niet blind op gemiddeldes. Het verschil tussen 65 en 73 is misschien 3 pijlen op een dubbel. Als je 73 gemiddeld gooit, dan gooi je standaard in 21 pijlen uit. Dat is gewoon een heel erg goed amateurgemiddelde.

    Maak je doelen daarom SMART: specifiek, meetbaar, aantoonbaar, realistisch en tijdsgebonden.

    • Meer winnen is niet specifiek. Dan kun je net zo goed bij de beginners gaan gooien, dan zul je vanzelf meer gaan winnen.
    • Schrijf op waar je gekomen bent. Dat is een realistisch doel, want daar ben je gekomen, en daar kun je de volgende keer overheen proberen te gaan.
    • Tel beurten in hetzelfde vakje in plaats van je score.
    • Houd een record bij. Gooi 121 uit met 9 pijlen, dan 122, dan 123, tot je mist. Stel, je bent tot 125 gekomen, dan is 125 je record. De volgende keer probeer je dat te verbreken.
    • Wees realistisch. Sommige darters hebben één keer 80 gemiddeld gegooid, en dat is hun nieuwe doel. Geloof ons, na twee weken stoppen ze ermee, want 80 bleek maar een hoogtepunt te zijn.

    7. Focus op het proces, niet op het resultaat

    Wij kennen een speelster die zichzelf in een koppelwedstrijd tegen een professionele darter één doel had gesteld: ze wilde deze persoon gewoon volgen in de score. Maar dan zet je jezelf op om te volgen, niet om te winnen. En je maakt jezelf helemaal afhankelijk van de ander.

    Haar nieuwe doelen:

    • 3 keer lekker gooien zonder te denken.
    • De pijlen mooi bij elkaar uit het bord halen.
    • Zichzelf een denkbeeldig schouderklopje geven als de pijlen qua proces mooi in het bord vallen. Niet omdat ze 100 moet gooien.

    Inmiddels wint ze toernooien. Door bewust met een proces bezig te gaan, en niet met een resultaat, krijg je uiteindelijk wel een resultaat.

    8. Leer van de punten waar je vastloopt

    Iedereen loopt ergens tegen zijn eigen grenzen aan: een laatste 16 waar je nooit voorbij komt, een finish die maar niet lukt, een seizoen in de competitie dat anders loopt dan je wilde. Joppe gooide onlangs voor het eerst in 11 jaar weer 170 uit in de competitie. Elk seizoen stelde hij zich dat als doel.

    Ga daar niet als een soort ezel tegenaan blijven stoten, maar evalueer:

    • Was de tegenstander beter? Handje geven, respect hebben.
    • Heb je het zelf verprutst? Wacht eens even: wat kan ik doen om te zorgen dat ik het de volgende keer beter doe?
    • Weet je niet waar je zwakke punten zitten? Vraag aan iemand met wie je gooit: hé, wat is mijn zwakke punt? Of kijk naar goede darters: wat doen zij wat jij niet doet?

    Teleurstelling hoort erbij. Je moet tegen je grenzen aanlopen, die teleurstelling verwerken, en dan word je weer sterker. Je gaat niet in één keer van 0 naar 180.

    Beter worden in darts kan ook zonder groot talent. Wie jarenlang het proces en een vaste routine volgt, wordt steeds beter.

    Hulp bij je eigen plan

    Meteen een opgebouwd programma? In Jouw Dartstraining train je vier dagen met meetbare darts oefeningen, video-uitleg en reflectievragen.

    Darts trainen met een plan kan dus gewoon morgen al: ga voor het bord staan, en focus wat minder op die 20.